![]() |
Zoeken | Sitemap | Links | Contact | Disclaimer | Print Pagina | |
![]() ![]() ![]() ![]() |
||
|
Politiek en bestuur \ Nederland \ Uitvoerbaarheid en Handhaafbaarheid (2) Uitvoerbaarheid en Handhaafbaarheid (2) door Leo Klinkers (de oorspronkelijke versie van 3 december 2008 wordt bij tijd en wijle bijgewerkt). Inleiding Op 18 november 2008 was ik aanwezig op een studiemiddag over deze nota, georganiseerd door de Vereniging voor wetgeving en wetgevingsbeleid. Naast een openingswoord van de vice-voorzitter prof. mr. R.A.J. van Gestel waren er inleidingen van mr. dr. W.S.R. Suzan Stoter, werkzaam op de TU Delft in de sectie Techniek, Bestuur & Management met expertise op het gebied van Wetgevingstheorie, Constitutioneel recht en Bestuursrecht; mr. R.G. René Mazel, plv. directeur en hoofd van de afdeling Wetgeving, Staatsinrichting en Grondrechten op het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; mr. prof. dr. Michiel Herweijer, hoogleraar bestuurskunde te Groningen en mr. drs. Peter M. Peter van Lochem, rector van de Academie voor Wetgeving. Observaties van enkele sprekers zal ik gebruiken bij mijn commentaar op de nota. Verantwoording Niemand wil leren hoe je beleid moet maken Ik veroorloof mij deze stellingname omdat ik zelf afkomstig ben uit der wereld van het staats- en administratiefrecht en er als bestuurkundige al ruim dertig jaar over doe om tot de essentie van het maken van uitvoerbaar beleid en handhaafbare regelgeving door te dringen. Ik ga de nota Integraal wetgevingsbeleid dus fileren aan de hand van mijn vakjargon. Beslist niet om de auteurs daarvan te grieven of anderszins voor het hoofd te stoten, maar om uit te leggen dat het maken van een slagroomtaart aan de hand van het begrippenkader van pizza’s bakken, geen slagroomtaart oplevert. De bespreking van enkele standaarden en principes van correct beleid maken is uitvoerig. Pas als dat achter de rug is laat ik aan de hand van enkele teksten uit de nota Integraal wetgevingsbeleid zien hoezeer de nota vloekt met die standaarden en principes. En daarmee verre van integraal beleid omvat. De duizenden ambtenaren, bestuurders en politici die graag het begrip 'integraal beleid maken' in de mond nemen weten niet waar ze het over hebben. Want ze kennen de standaarden en principes niet die ze daarbij in acht hebben te nemen. Om branden te mogen blussen, om mensen te mogen genezen, om een Mechelse kast te mogen timmeren, enzovoort, heb je diploma's nodig. Om beleid te mogen maken eigenlijk ook. Maar dat wordt nog steeds niet erkend. In deze notitie kan ik niet alle standaarden en begrippen behandelen die een verstandige beleidsmaker moet kennen om uitvoerbaar beleid en handhaafbare regels te maken. Ik beperk me tot die begrippen die bij het bespreken van deze nota de belangrijkste zijn. Wat is het probleem en waarom is het niets nieuws? Wat de opmerking van Van Gestel betreft: als standaard heb ik dit vele jaren geleden als volgt geformuleerd: de nota is een voorbeeld van het bespreken van een probleem in de vorm van een oplossing van dat probleem. Dat is een onderdeel van de zogeheten valkuil van het oplossingendenken, die op zijn beurt weer deel uitmaakt van het grote foutenboek. Dat ‘boek’2 gaat over systeemfouten. Dat zijn fouten die zó erg zijn dat ze het systeem te gronde richten. Ze eten het als het ware op, als een kanker.
De rest van dit essay is dus gewijd aan een uitgebreide toelichting op en verklaring van de systeemfouten die als oorzakelijk complex aan de voet liggen van het averechtse karakter van het bestuursrecht. Als men die begrijpt weet men ook waarom de uitvoerbaarheid van beleid en de niet-handhaafbaarheid van regelgeving zo hard hebben toegeslagen en strikt genomen het faillissement van dertig jaar overheidsproductie betekenen. Het verklaart ook waarom de Algemene Beschouwingen van de vice-president van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, in de jaarlijkse verslagen van de Raad steeds scherper van toon worden in het aanwijzen van systeemfouten in ons staatkundige systeem. Tevens wordt in deze toelichting op de oorzaken van het averechtse karakter van het bestuursrecht duidelijk waarom de Nationale Ombudsman, Alex Brenninkmeijer, met zijn fundamentele kritiek op het feitelijk functioneren van de overheid in wezen met een mission impossible bezig is. De valkuil van het oplossingendenken
Hoe voorkom je een stap te zetten in de valkuil van het oplossingendenken? Ergens in een van de eerste drukken van het handboek Algemeen Bestuursrecht van A.M. Donner staat een zinnetje dat ongeveer als volgt luidt: ‘Het toppunt van doelmatigheid valt samen met het toppunt van rechtmatigheid’, of omgekeerd, dat weet ik niet meer. In een variatie hierop zeg ik: ‘Het toppunt van analyse valt samen met het toppunt van oplossing.’ Analyse is in de nota Integraal wetgevingsbeleid geheel afwezig. Althans naar de maatstaven die vanuit beleidstechniek daarvoor gelden. Het is een nota vol met oplossingen. De auteurs mogen zich overigens troosten met de wetenschap dat het denken in termen van ‘eerst het probleem een naam geven, daarna de oorzaken analyseren, dan komen de oplossingen vanzelf bovendrijven’ een nog steeds niet ontwikkelde hersenkwab in de rijksdienst is. Ook niet bij de Hoge Colleges van Staat die periodiek commentaar leveren op deze materie van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. En dat gebrek aan kennis en ervaring is – ik poneer dat zonder enige terughoudendheid of relativering – een onderdeel van de oorzaak van de niet-uitvoerbaarheid van beleid en de niet-handhaafbaarheid van regelgeving. Voor de goede orde: deze paragraaf gaat over causaliteitsleer, een niet goed gekend leerstuk in het rechtsgeleerde domein en nog onvoldoende verrijkt met het conceptuele kader van probleem- en oorzakenanalyses uit het domein van het beleidsdenken. Positieve feedback Positieve feedback is het ergste wat je in het openbaar bestuur kan overkomen. Maar dat vergt nogal wat uitleg. Om te beginnen eerst een toelichting op zijn tegenhanger, negatieve feedback. Negatieve feedback Hoewel dat mechanisme al bestond toen de aarde vorm kreeg is het pas in de jaren dertig van de vorige eeuw via de wetenschap van de cybernetica (later systeemtheorie) onder woorden gebracht. Om een uitgebreide wetenschappelijke verhandeling te vermijden vindt de toelichting plaats via een metafoor. Stel dat u met de fiets over een rechte lijn van honderd meter van A naar B moet rijden. Niemand kan dat. Je zit even op die lijn en dan schiet je ietsje links of rechts daarvan. Om op koers te blijven stuur je bij. Dat heeft het karakter van een zigzagbeweging. Als je a) blijft fietsen (= het verwijderingsproces uit A blijft voeden), b) het bijsturen volhoudt, c) kom je vanzelf in B, d) tenzij iemand een spaak in het wiel steekt of een hond je aan je broek van je fiets trekt: of je het doel bereikt blijft tot het einde onzeker. Het bijvoeglijk naamwoord ‘negatieve’ slaat niet op de afwijking van de koers, dus niet op het feit dat de fietser zich niet precies op de rechte lijn bevindt. Het ‘negatieve’ komt van het latijnse woord ‘negare’ dat als betekenissen heeft: ontkennen, ongedaan maken. Te vergelijken met het min-teken in algebra. Negatieve feedback is het vermogen om een waargenomen afwijking van een voorgenomen koers ongedaan te maken. Daardoor kom je weer op het rechte pad. De praktijk laat echter zien dat je vervolgens weer door iets anders met een koersafwijking te maken krijgt. Als je ook die ongedaan maakt kom je weer op de goede koers, enzovoort. Als je dus steeds een afwijking van de koers ongedaan maakt bereik je uiteindelijk je doel, tenminste, als er geen onvoorziene gebeurtenis optreedt. Negatieve feedback als het vermogen om keer op keer een vastgestelde (= gemonitorde of gemeten) afwijking van een voorgenomen koers ongedaan te maken, is het enige en universele doelbereikingsmechanisme waarover de mens beschikt. Alle miljarden dagelijkse vormen van doelbereiking worden door dat mechanisme gestuurd. Als ik als doel formuleer dat ik met mijn rechterhand, gestoken in mijn rechterbroekzak (punt A), een bekertje koffie wil pakken een meter van mij vandaan op mijn bureau (punt B), en vervolgens dat proces start door mijn hand uit mijn broekzak te halen en in de richting van dat bekertje te bewegen, dan krijg ik dat alleen in mijn rechterhand als mijn instrumenten tezamen een goed functionerend negatief feedbackmechanisme vormen. Te weten: met mijn ogen hou ik mijn doel in de gaten (punt B), ik gebruik mijn armspieren om uit A te vertrekken, onderweg monitor ik of ik links of rechts van de ideale koers tussen A en B zit, met mijn kleine hersenen en hersenschors, zenuwen en spieren geef ik opdracht om een gemeten koersafwijking ongedaan te maken en maak ik die vervolgens daadwerkelijk ongedaan. En blijf dat herhalen tijdens dat proces van steeds verdere verwijdering uit A in de richting van B. Als niemand mij tegenhoudt en ik in die 2-3 seconden dat dit proces duurt geen hartaanval krijg, heb ik ineens dat bekertje in mijn rechterhand. Iemand die lijdt aan de ziekte van Parkinson slaagt daar meestal niet in, omdat diens negatief feedbackmechanisme een defect in de kleine hersenen heeft waardoor hij in de buurt van dat bekertje het ongedaan maken van de koersafwijking overtrekt (hij zit teveel op links of op rechts), of zelfs dat bekertje omver stoot. In de context van succesvol beleidvoeren is negatieve feedback dus iets totaal anders dan wat het in ons gewone spraakgebruik betekent. Het is het enige middel voor mensen om doelen te bereiken. In tekening: ![]() Een thermostaat is een mooi voorbeeld van een negatieve feedbackmechanisme: je zet hem op 20 graden (het te bereiken doel) en dat gaat hij werken, slaat net boven de 20 graden af, wacht tot het weer wat koeler is en slaat net beneden de 20 graden weer aan. Zo werkt bijvoorbeeld ook een zogeheten homing torpedo (de Mark 24 uit 1943) die vanuit een onderzeeboot wordt afgevuurd naar een vijandelijk schip: dat type torpedo corrigeert onderweg koersafwijkingen, net zoals de later ontworpen kruisraket dat doet. Het is om die reden dat de cybernetica (die zich in de jaren dertig ontwikkelde) tijdens WOII vooral is ingezet voor het ontwerpen van doelvindend oorlogsmaterieel. Trial and error
Het negatieve feedback van de cybernetici is daarom identiek aan het trial and error van Popper, zonder dat die elkaar in de jaren dertig ontmoet hebben. Een mooi voorbeeld uit de praktijk vormt het beleid van het openbaar ministerie naar aanleiding van de Schiedammer parkmoord. Na analyse (door procureur-generaal Posthumus) van wat er allemaal fout was gegaan – toegespitst op de tunnelvisie als oorzaak van het opsluiten van de verkeerde persoon – is gedecreteerd dat binnen politie en OM vormen van gestructureerde ‘tegenspraak’ dienen plaats te vinden zodra zich een misdrijf van deze omvang voordoet. Het organiseren van tegenspraak is het inbouwen van een vitaal aspect van negatieve feedback dat koersafwijkingen tijdig kan ontdekken en ongedaan maken. Daarmee is tevens gezegd dat het wegorganiseren van tegenspraak (iets wat vaak opgesloten zit in de foute uitspraak ‘ik reken je af op het resultaat’) een niet-aflatende stroom tunnelvisies doet ontstaan. Waarmee de overheid zelf fungeert als veroorzaker van problemen in plaats van als oplosser.
Bij koersafwijkingen verkeerd sturen op de koers: positieve feedback
Positieve feedback betekent voor een beleidvoerder dat hij – door het nemen van verkeerde besluiten – verder van zijn doel afraakt. Daarbij horen begrippen als averechts of contraproductief beleid. Dat is dus bepaald niet leuk. Dat is zoiets als gas geven om vooruit te rijden maar per saldo achteruit gaan. Voor degenen die moeite hebben met de terminologie: het bericht van de dokter dat je seropositief bent is geen plezierige boodschap ook al komt er het woord ‘positief’ in voor. ‘Positief’ is in dit verband niet een psychologisch-emotionele, maar een wetenschappelijk-neutrale term uit de cybernetica. Gewone voorbeelden van positieve feedback zijn een sneeuwbal die van de top van een berg naar beneden rolt en gaandeweg de omvang van een lawine ontwikkelt. Maar ook de reeks 2-4-8-16-32 enz. Een angstwekkend voorbeeld doet zich nu voor in het Noordpoolgebied. Zolang een groot zeeareaal bedekt was met ijs kaatsten de zonnestralen door dat witte oppervlak terug. Door het afnemen van die grote ijsplaat verdwijnt het terugkaatsend oppervlak, is er in plaats van ijs steeds meer water dat donker gekleurd is waardoor de zonnestralen het water kunnen binnendringen en daar voor een zodanige opwarming zorgen dat het tempo van het smelten versnelt en het smeltoppervlak zich verbreedt. Men moet positieve feedback daarom vooral ook zien in termen van een zichzelf versterkend proces van voortgaande woekering. Het is niet alleen ‘versnelling’ (een lineaire zaak) maar ook nog eens een autonome, zichzelf versterkende vermeerdering. Vandaar dat voorbeeld van die sneeuwbal. Die gaat niet alleen steeds sneller naar beneden, maar breidt zich tevens uit tot een lawine. U begrijpt nu waarom ik hierboven bij het begrip systeemfout het woord kanker noemde: celdeling in de reeks 2-4-8-16….. Tchernobyl is ook zo’n voorbeeld. Er ontstonden enkele afwijkingen in de kernreactor die tezamen een proces van positieve feedback creëerden als gevolg waarvan er een melt down ontstond: het systeem slaat dan op hol. Het enige wat je dan nog kunt doen is het hele complex in beton gieten, hard wegrennen en duizend jaar uit de buurt blijven. Voorbeelden van positieve feedback in het openbaar bestuur Tijdens cursussen – ook in de e-cursus Uitvoerbaarheid van beleid en Handhaafbaarheid van regelgeving – vraag ik cursisten om uit hun eigen omgeving voorbeelden te noemen van processen van positieve feedback. Eenmaal bekend met het verraderlijke mechanisme daarvan, komen steeds de meest wonderlijke - zo u wil meest ergerlijke – voorbeelden op tafel van beleid en regelgeving die steeds verder van hun oorspronkelijke doelen afdwalen. Onlangs zag ik er weer een beschreven in NRC Handelsblad van 29 november 2008, te mooi om eraan voorbij te gaan. Prof. Herman Philipse (wijsbegeerte) en prof. Klaas van Egmond (geowetenschappen) schrijven in een artikel met de titel Verrommeling van Nederland is het gevolg van verrommeld bestuur onder meer het volgende, nadat ze eerst opmerken dat de gewenste collectieve doelstellingen in het ruimtebeheer niet bereikt zijn omdat de ideologie van de netwerksamenleving de verantwoordelijkheden deed verdampen:
Er is meer dat in het verband van positieve feedback uit dit artikel gehaald kan worden, maar ik laat het hierbij. Zie vooral in de tweede alinea de woorden ‘toename van de complexiteit’, ‘versterkte’ en ‘neerwaartse spiraal’. Een uitstekende beschrijving van een positieve feedbackproces, ook al hebben de twee auteurs daar waarschijnlijk nog nooit van gehoord. Het woord ‘verknipt’ in de derde alinea is ook van belang, maar daar kom ik straks op terug. Ik neem ook een citaat uit het boek Kansen na de crisis van Riens Meijer:
De vet gedrukte woorden indiceren het proces van positieve feedback. Wat die ivoren toren betreft, in Beleid begint bij de samenleving (Lemma 2002) leg ik uit hoe en waarom de politieke, bestuurlijke en ambtelijke top in een schijnwereld leven. Terzijde merk ik op dat het de lezer na deze passages waarschijnlijk weinig moeite kost om de kredietcrisis te begrijpen in de context van positieve feedback. Daarover is het nodig gepubliceerd. Een van de beste artikelen stond in NRC Handelsblad van 10 januari 2009: Vanavond einde van de wereld, morgen gezond weer op geschreven door prof. Harald Welzer. Anders dan andere schrijvers plaatst hij deze crisis in het licht van dat typische zichzelf versterkende proces van verdergaande woekering conform positieve feedback (zonder overigens die term te bezigen), maar hij heeft ook oog voor het kenmerkende aspect van de verbreding van dat proces door de financiële crisis te koppelen aan de klimaatcrisis en de energiecrisis. Zonder het met zoveel woorden te zeggen draagt Welzer uit dat als deze drie crises elkaar raken, de ellende zo groot is dat we ons daar niet meer uit zullen kunnen redden. Van mijn kant voeg ik daaraan nog een vierde crisis - in feite een overkoepelende - toe, die van de politieke kwaliteit. Niet alleen in Nederland, maar ook binnen de Europese Unie. Wat ik in deze rubriek over niet-uitvoerbaar beleid en niet-handhaafbare regelgeving beschrijf is daarvan een onderdeel. Withinputpoverload als de hoofdoorzaak van verval Midden jaren zestig ontdekten de sociaal-psychologen Katz en Kahn4 dat steeds meer mensen in organisaties begonnen te lijden aan inputoverload. Ze kregen te veel aan hun hoofd: rennen van vergadering naar vergadering, steeds meer stukken lezen, voortdurend bezig met het blussen van brandjes, meer en meer reagerend handelen op andermans gedrag in plaats van zelf proactief te zijn. Kortom het begrip ‘werkdruk’, deed zijn intrede via het jargonwoord inputoverload. Katz en Kahn deden echter nog iets. Zij onderzochten hoe individuen, en groepen van individuen, op die toenemende werkdruk reageerden. Zij ontdekten het volgende patroon van zeven reacties:
Kenmerkend voor de reacties die Katz en Kahn beschreven is dat ze allemaal in één opzicht op elkaar lijken: ze zijn vormen van symptoombestrijding, ze laten de binnenstromende input ongemoeid. De enige maatregel die echt zou kunnen werken is inputreductie: bronbestrijding door een stop te zetten op de input. De administratie als collectief kan dat niet. Wij als individu wel: als we na een week hard werken op vrijdagavond thuis komen zijn we soms te moe om zelfs maar de krant te lezen; die informatie is al te veel om op te nemen. De door Katz en Kahn beschreven reacties vormen een sociaal-psychologische verklaring voor een systeemtheoretisch verschijnsel. Immers, de begrippen ‘input’ en ‘inputoverload’ komen uit de systeemtheorie. Bij mijn weten ontdekten Katz en Kahn niet wat systeemtheoretici wel al hadden ontdekt, namelijk dat je in een andere, veel ergere situatie terecht komt als je een tijd lang op deze manier blijft reageren op inputoverload. Dus als je niet boven op de inputrem gaat staan, geen inputreductie toepast, geen bronbestrijding doet. Die ergere situatie heet ‘withinputoverload’. Terwijl inputoverload niets anders is dan te veel aan je hoofd krijgen doordat je steeds meer signalen moet verwerken die van buiten komen, is withinputoverload een onafwendbaar vervolg op inputoverload dat zich manifesteert door steeds meer werk dat van binnenuit de organisatie op je afkomt: toenemende overlast van binnenuit, ontaardend in een voortwoekerend proces van herordening van structuren en procedures. Hoe dat in zijn werk gaat laat onderstaande figuur zien.
Als een organisatie geen rem zet op onbeperkte instroom van input vanuit de omgeving (= samenleving) en dus een situatie van inputoverload laat ontstaan, zal de organisatie aan het einde van de genoemde zeven reacties om het hoofd boven water te houden steeds een reorganiserende beweging maken. Daarvoor staan al die hokjes in het vak organisatie. Er komen steeds meer organisatorische verfijningen bij: een bureau hier, een onderafdeling daar, een werkgroep zus, een projectgroep zo, een coördinatiestructuur in de ene hoek, en een concurrerend coördinatiemechanisme in de andere hoek, nieuwe interfaces met op afstand geplaatste organisatieonderdelen, interdepartementale afstemming via een serie werkgroepen, andere procedures om structuren die met elkaar overhoop liggen te laten samenwerken, rondzendbrieven, nieuwe huisregels (meestal in een losbladige editie die alleen maar dikker wordt), het houdt niet op. Functionarissen die erachter komen dat anderen wel en zij niet de notulen van een specifiek organisatieonderdeel mogen lezen roepen dat ze informatieachterstand hebben en dwingen weer nieuwe procedures af. Managers sturen via e-mail in het weekend opdrachten door zodat hun medewerkers op maandagochtend al een waslijst met aandachtspunten zien op het moment dat ze hun computer openen. Als ze deze nieuwe extra werklast niet meer aankunnen worden er nieuwe structuren en procedures bedacht om voor een kanalisering van die input te zorgen. Het gaat maar door. Van binnenuit groeit de inputoverlast als een reeks 2-4-8-16-32 enzovoort, en voorbij een point of no return slaat inputoverload om in withinputoverload.
Withinputoverload is daarmee een voorbeeld van positieve feedback: door het zichzelf versterkend proces van zich autonoom verbredende woekering loopt de administratie vol met structuren en procedures. De organisatie (en in groter verband ook groepen van organisaties) blijft zich ongeremd aanpassen aan de steeds maar groeiende inputoverload door zich in zijn structuren en procedures naar die overlast te voegen. Als dan een bepaald niveau of een bepaalde kwantiteit van aanpassing is overschreden heet de situatie niet meer inputoverload maar withinputoverload. Een soort ‘chemische’ reactie binnen een organisatie. Tegenwoordig wordt het werk van een doorsnee ambtenaar voor zo’n 50 tot 60% bepaald door werkdruk die van binnenuit wordt gegenereerd: parafencultuur, verkokering, vermijden dat iemand de poten onder je stoel wegzaagt door zelf overal bij te zitten ook al heb je in zo’n vergadering eigenlijk niets te zoeken, et cetera. Het laat zich raden dat in zo’n proces de output verschraalt waardoor de samenleving nog meer inputsignalen van eisen en wensen naar het systeem stuurt waarop er intern nog meer reorganisatorische operaties gaan plaats vinden. En steeds meer van die signalen hebben het karakter van afkeuring van overheidsmaatregelen en een zich afkeren van die overheid, het proces dat allengs heeft geleid tot de vertrouwenscrisis tussen overheid en samenleving als gevolg waarvan in 2006 de Nationale Conventie aan het werk is gezet met de opdracht defecten in ons constitutionele bestel te analyseren en met voorstellen te komen tot versterking van de representatieve democratie als voorwaarde tot herstel van het vertrouwen tussen overheid en samenleving. Het kabinet heeft enkele van de 42 adviezen van de Nationale Conventie op minimalistische wijze in het regeerakkoord van 2007 verwerkt. Maar dat terzijde. De secretarissen-generaal, en hun verwante collega’s van de lagere overheden, die bereid zouden zijn om hier iets aan te doen, staan voor twee bijzonder grote problemen. In de eerste plaats moeten ze onder ogen zien dat dit een positief feedback proces is: het woekert autonoom door, in principe kan alleen de wal het schip keren. Wil men daar niet op wachten dan kan men de oplossing van dat organisatorisch inflatieproces alleen vinden in het creëren van één alles overtreffende manoeuvre. Iets totaal nieuws neer te zetten ter vervanging van het huidige. Zo’n soort actie lijkt echter ondenkbaar. Na de Commissie Vonhoff (1980) debatteren we al meer dan twintig jaar vruchteloos over kerndepartementen, zelfstandige bestuursorganen, agentschappen, decentralisatie, privatisering en marktwerking. Het is van alles wat, maar niks is echt goed, althans niet goed genoeg om het withinputoverload proces te stoppen. En ook de Nota Vernieuwing Rijksdienst van september 2007 kan alleen maar gezien worden als de zoveelste vruchteloze poging om een uit de hand gelopen rijksbestuursdienst onder controle te brengen. De bron van problemen met de rijksdienst zit in het functioneren en de werkwijze van de Tweede Kamer. Als je gaat sleutelen aan de rijksdienst en niet eerst orde op zaken stelt in het parlement, vergroot je per saldo de onbeheersbaarheid: 1) als je complexe systemen wilt hervormen zal de complexiteit alleen maar toenemen; 2) en als je dat ook nog doet zonder in te grijpen in het oorzakelijk complex vergroot je die problemen exponentieel en creëer je dus een positief feedbackproces. Tenzij je een schok toepast die sterker is dan de melt down zelf. Het is het recht zelf dat gevaar loopt Nu kom ik terug op het woord ‘verknipt’ uit het citaat van het artikel van Philipse en Van Egmond. In het positieve recht zie je dat proces van positieve feedback ontstaan op het moment dat men om politiek-instrumentele redenen het algemeen verbindende van een regel doorbreekt met uitzonderingen. Zodra men de uitzondering op de algemene regel gaat codificeren ontstaat er een proces van voortwoekerende uitzonderingen, iets wat we bijvoorbeeld zien bij het recht dat ‘de jongere’ als justitiabele heeft: regels voor jongeren boven de achttien, onder de achttien, met kinderen, zonder kinderen, dikke jongeren en dunne jongeren, wel met de politie in aanraking geweest, niet met de politie in aanraking geweest. Het is een dossier waar de minister voor Jeugd en Gezin niet meer uitkomt en waarover professionals in de jeugdzorg hele dikke boeken kunnen schrijven omdat per saldo ‘de jongere’ tussen alle gaten in die regels doorvallen. Het is daarom niet raar dat de jeugdzorg steeds vaker in opstand komt tegen het onwerkbare beleid en de idiote regelgeving. Het is een voorbeeld van de wal die het steeds verder uit zijn koers geraakte schip moet keren, het sluitstuk van elk proces van positieve feedback, tenzij men tijdig de voortwoekerende afwijking stopt met een schok die groter is dan dat proces van afwijking zelf. Het is tevens een voorbeeld van wat in het Romeinse recht al geduid is met de term summum ius, summa iniuria. Zonder dat Roland Mans het met zoveel woorden zegt in het bovengenoemde artikel in het Nederlands Juristenblad, omschrijft hij in wezen de feitelijke werking van de Algemene wet bestuursrecht in termen van dat adagium uit het Romeinse recht. Ik kan nu ingaan op een observatie van Suzan Stoter tijdens de genoemde studiemiddag. Ze wees op de zeer grote hoeveelheid bestuursrecht waarover wij als samenleving beschikken. Het is wel eens anders geweest. Toen Duynstee in de jaren vijftig bestuursrecht in Nijmegen doceerde kon je de omvang daarvan gemakkelijk tussen duim en wijsvinger vasthouden. Nu beslaat het vele strekkende meters. Het voert te ver om de herkomst daarvan in detail te schetsen – ik verwijs kortheidshalve naar mijn voorstudie ten behoeve van het eindrapport van de Nationale Conventie – en beperk me hier tot een zeer korte passage over het verderfelijke withinputoverloadkarakter van het politiek-instrumentele misbruik van het bestuursrecht. Ongeveer midden jaren zeventig ontstond in kringen van de rechtsgeleerdheid een door De Haan en Drupsteen aangevoerde stroming die de zogeheten instrumentele visie op het bestuursrecht voorstond. Dat is de opvatting dat je het bestuursrecht mag en moet gebruiken om politieke en beleidsmatige doelen te realiseren. Men ging gemakshalve voorbij aan drie dingen:
Daarmee betrek ik dus tegelijk de stelling dat reductie van regelgeving, of terughoudendheid betrachten met het maken van regels zoals de nota Integraal wetgevingsbeleid net als alle voorgaande nota’s (en ook volgende) stelt, zinloos is als niet eerst de politiek-instrumentele drive van de Tweede Kamer tot het nulpunt wordt teruggeschroefd. Wat nodig is, is een fundamentele herbezinning op de eigenstandige waarde van het recht en op de instrumentele waarde van het bestuursrecht. Dat doen kan een schok creëren die misschien zo sterk is dat het de opstapeling van beleid en regelgeving als typische verschijnselen van positieve feedbackprocessen doet stoppen. Adviescolleges tot reductie van regels zijn daartoe niet in staat, ook al omdat ze tot nu toe verzuimen acht te slaan op een van de moeilijkste leerstukken, namelijk het overgangsrecht. Als je ergens een regel afschaft vertaalt zich dat in vele correcties die elders in het regelsysteem moeten worden doorgevoerd. Terzijde merk ik op dat het ongeremd uitdijen van het bestuursrecht één van de oorzaken is (naast andere) van de juridificering van het recht: de rechter gaat steeds vaker op de stoel van het bestuur zitten. Ik heb hier geen ruimte om dit verder uit te werken en volsta met een andere geliefkoosde uitspraak van mijn reeds genoemde leermeester Prins: "Natuurlijk moet de rechter niet op de stoel van het bestuur gaan zitten, behalve als de rechter vindt dat dit nodig is." Het recht als veroorzaker van problemen Redenering 1 in staccato:
Redenering 2 in staccato:
De nota Integraal wetgevingsbeleid, bezien tegen deze conceptuele achtergrond Pagina 3: “Wetgeving moet minder gericht zijn op beheersing door steeds verder verfijnde regels, maar ruimte geven door meer te vertrouwen op professionaliteit van uitvoerders en op andere vormen van sturing en verantwoording.”
Pagina 3: “De bestuurlijke reflex om op incidenten te reageren met regelgeving in plaats van betere uitvoering of handhaving moet worden doorbroken. Dat betekent dat niet alleen in het wetgevingsproces zelf, maar reeds in de fase van probleemstelling en analyse aandacht moet zijn voor aspecten die bepalend zijn voor goede wetgeving (-).”
Pagina 3: “Wetsevaluatie wordt een normaal onderdeel van het wetgevingsproces dat vorm zal krijgen in een apart clearinghouse, een onderzoekcentrum voor systematische wetsevaluatie.”
Pagina 3: Voorts zien we op die pagina en vervolgens op pagina 4 woorden als ‘terughoudenheid met wetgeving’, ‘zuinig met regels’, ‘ruimte bieden aan burgers, professionals, bedrijven en mede-overheden’, ‘heldere, uitvoerbare en rechtmatige wetgeving’, ‘meer aandacht voor informatie- en communicatietechnologie’.
Pagina 4: “Wetten geven uitdrukking aan de democratische legitimatie van het overheidsoptreden. Dat betekent dat telkens als de overheid een beleid wil voeren ten behoeve van het algemeen welzijn (-) en daartoe maatregelen moet nemen, wetgeving in beeld verschijnt. Dat verklaart ook waarom de al langer bestaande en door opeenvolgende kabinetten gedeelde doelstelling van terughoudendheid met wetgeving niet eenvoudig leidt tot minder wetgeving.”
Zo zou ik nog lang kunnen doorgaan. Maar dat dient geen doel. Wat ik wilde duidelijk maken is hopelijk doorgedrongen. Zo niet, dan heeft verdere toelichting ook geen zin. Bovendien staat er al genoeg commentaar op zaken als startnotities, wetgevingstoetsen, sneller uitvoerders en juristen bij het beleid betrekken et cetera, in Uitvoerbaarheid en Handhaafbaarheid (1). Slot Daarbij past een citaat uit het eerder genoemde boek van Riens Meijer (p. 44): "Deze drie weeffouten in ogenschouw nemend, kan de overheid vaak ondeskundigheid worden verweten. Immers, de overheidsorganisatie voldoet niet meer aan een aantal fundamentele voorwaarden. Ze snijdt affiniteiten door, lijdt aan 'overbeheersing' en zet ondeskundigen in die de drie functies tegelijk vervullen. Dit leidt vaak tot grote verwarring onder de burgers. Mede daardoor is ook de kloof tussen overheid/politiek en burgers groter geworden." 1 Hoe dat proces zich heeft voltrokken staat in Beleid begint bij de samenleving. Een zoektocht naar de menselijke maat, Lemma 2002. Zie o.m. het Voorwoord, p. 31 e.v. en p. 262 e.v. Het uitvoerbaarheidsinfarct beschrijf ik vanaf p. 276. |
||