|
Politiek en bestuur \ Suriname \ Bouterse (5): Reactie Sankatsing
Bouterse (5): Reactie Sankatsing
De heer Sankatsing stuurde mij een reactie op de artikelen die op deze website over hem zijn gepubliceerd. Die is gepubliceerd in de Ware Tijd van 26 mei 2008. Hij verzocht mij om die reactie ook op mijn site te zetten. Aan dat verzoek wil ik voldoen. Zelf plaats ik daarbij een kleine kanttekening. Een uitgebreidere repliek op het stuk van de heer Sankatsing, van de hand van Theo Para, staat na Sankatsings reactie. Mijn kanttekening is als volgt. Het begin en het einde van Sankatsings reactie betreft zijn zorgen over de kwaliteit van de huidige politieke ontwikkelingen in Suriname. Het tussenstuk is een vaag en ontwijkend verhaal over zijn betrokkenheid bij, rond en na de dembermoorden van 1982. Alleen daarover had de heer Sankatsing duidelijkheid moeten verschaffen. Zorgen over het huidige politieke systeem in Suriname passen daarin niet zo goed. DE WEG NAAR DE TOEKOMST VAN SURINAME Gepubliceerd in de Ware Tijd van maandag 26/05/2008
ingezonden door Glenn Sankatsing De grote uitdaging voor het Suriname van vandaag is om als land een veilige weg naar de toekomst te vinden in een globaliserende wereld die steeds harder en meedogenlozer wordt. Niemand zal je eruit helpen als land, als je niet met vereende krachten voor jezelf opkomt. Het minimum aan eenheid dat daarvoor noodzakelijk is met goed en transparant bestuur ontbreekt vandaag. De geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar was een aaneengesloten gevecht en geruzie om macht, met tal van traumatische momenten die grote breuken veroorzaakten. We stevenen weer af op een gepolariseerde verkiezing waar ons volk aan de kantlijn staat om tussen twee kwaden het minste te kiezen, met als gevolg dat we steeds met een kwaad opgescheept blijven. Natuurlijk mag het verleden niet met rust gelaten worden, want uiteindelijk moeten daar lessen uit geleerd worden. Dat was voor mij de reden om in januari 2006 mijn deel van de geschiedschrijving van Suriname op schrift te stellen in "Nieuwe Dageraad voor Suriname" (De Ware Tijd). Een ieder die aan weerszijden van de scheidslijnen een rol heeft gehad wordt opgeroepen het eigen verhaal tegenover de gemeenschap en de geschiedenis in ik-vorm op schrift te stellen, met de nodige zelfkritiek waar dat vereist is. Helaas heeft niemand anders dat in de afgelopen 25 jaar gedaan. De partijpolitiek heeft Suriname in onverzoenlijke kampen verdeeld, waarbij het nationaal belang helemaal op de achtergrond is geraakt. Omwille van politieke macht wordt van weerszijden scherp gepolariseerd, en niets en niemand wordt daarbij ontzien. In de afgelopen maanden heb ik zelf op schokkende wijze aan den lijve ondervonden dat in de Surinaamse politiek het doel de middelen heiligt. Het is goed even stil te staan bij zo een dramatisering van zaken, omdat dat ons kan helpen de lessen van de geschiedenis beter te leren. Universiteit van Aruba Terwijl het justitieel proces in Suriname aan duidelijkheid niets overlaat, wordt de pas benoemde onderzoekscoördinator van de Universiteit van Aruba, Glenn Sankatsing, in een krantenadvertentie zonder gronden beschuldigd van betrokkenheid bij de decembermoorden. De holocaust wordt erbij gehaald en het aftreden van de Rector en de Minister van Onderwijs geëist. De hotelketen Marriott International, die juist één miljoen dollar aan de universiteit schonk voor nieuwbouw, wordt ook met acties bedreigd. Op het kleine toeristeneiland Aruba heeft het bericht een schokkend effect. Om de universiteit buiten het vizier te halen van een externe zaak die haar absoluut niet regardeert, informeer ik eerst alle collega's omstandig en stel dan mijn part-time functie als coördinator ter beschikking. Over de uitgevoerde actie zelf kan ik het oordeel het beste aan anderen overlaten. Het meest schokkend voor de leiding van de Universiteit van Aruba was dat de actie meteen na mijn benoeming werd geïnitieerd door enkele docenten van de universiteit zelf. De onhoudbare beschuldiging wordt snel met expliciete bewoordingen ingetrokken door Gerard Spong, de toenmalige juridische adviseur van de vervolging in Suriname. "Van betrokkenheid bij moorden kan hij zeker niet beschuldigd worden... zelfs niet dat ze werden vergemakkelijkt of bevorderd." Een brief aan de Inter-Amerikaanse Mensenrechtencommissie (OAS) getekend als waarnemer voor buitenlandse zaken wordt nu de basis van verdere actie, die op 30 april via Radio Nederland ook Suriname bereikt. Brief aan de OAS De kern van de brief is de mededeling aan de OAS: "In een Officiële Verklaring van het Militair Gezag is verklaard dat op 8 december een aantal, dat gearresteerd waren in verband met hun betrokkenheid bij activiteiten om met gewelddadige middelen de regering omver te werpen, werden gedood bij een onfortuinlijk voorval als gevolg van hun poging om te vluchten." Dit is de nauwkeurige weergave van de inhoud van de officiële verklaring die het Militair Gezag bij monde van haar voorzitter live op de televisie uitsprak op de avond van 9 december 1982. Alle verantwoordelijkheid voor deze verklaring berust derhalve bij het Militair Gezag. De Regering was inmiddels afgetreden en geen enkele andere officiële verklaring werd hieromtrent door enige instantie of persoon gedaan. De brief bevestigde wat al bekend was bij de Inter-Amerikaanse Mensenrechtencommissie, zoals driemaal blijkt uit haar rapport, waarin is vermeld (hoofdstuk II onder 7i), dat zij reeds op 9 december over de inhoud van die verklaring beschikte. De brief geeft duidelijk en expliciet aan wat in een officiële verklaring door het Militair Gezag is gezegd op de televisie. De bewering dat de minister ad interim die de brief tekende enige verantwoordelijkheid draagt voor deze valse verklaring is derhalve pertinent onwaar en van elke grond ontbloot. In de aanhef verwijst de brief naar 'reports of executions' die niet juist waren. Eén van de hardnekkige 'reports' die lange tijd circuleerde was dat Cubanen de executies hadden uitgevoerd. Een actieve Cubaanse Ambassade in Suriname onderhield in die tijd nauwe banden met het Militair Gezag. Die berichten bleken onjuist te zijn. Een aantal "reports" waren dus inderdaad niet waar. De brief bevat een omissie door niet expliciet aan te geven welke reports niet waar zijn, waardoor ook een andere interpretatie mogelijk is die de brief heel bezwaarlijk kan maken. Het is om die reden dat ik zelfkritisch in mijn artikel van 2006 zonder omhaal het volgende schreef: "Het bestaan van die kwalijke brief, uitgerekend met díe verklaring, kan alleen als een zware last op mijn schouders blijven drukken, al heb ik nooit en te nimmer zo een brief samengesteld of in het Engels vertaald. Een ieder, ook ik, zal zo zijn of haar deel van de last moeten dragen. Dat mag niet zwaarder zijn dan wat hem of haar toekomt, maar moet ook nimmer minder zijn dan wat de persoon werkelijk verdient." Als een ieder zo zijn of haar deel van de last op zich neemt, is Suriname veel beter geholpen. Uit het OAS-Rapport blijkt duidelijk dat met uitzondering van deze brief ondertekend door de "Acting Minister for Foreign Affairs", alle verdere correspondentie plaatsvond met de "Minister of Foreign Affairs". De speciale OAS-onderzoekscommissie die tal van officiële en andere gesprekken in Suriname voerde, vond het op geen enkel moment nodig om mij te contacten of te spreken, zoals uit haar rapport blijkt. Ik ben nooit een gesprekspartner geweest van geen enkele buitenlandse of andere commissie, instantie of functionaris in deze aangelegenheid. Duidelijke stellingname De bewering dat nooit afstand is genomen van de decembermoorden klopt niet. Meteen toen ik er weet van kreeg, heb ik dat in 1982 scherp afgewezen, zoals ik in de krant Amigoe schreef in 1995: "Op 9 december, één dag na de executies, bel ik één van die vrienden op, Mgr. Aloysius Zichem, die nu nog steeds de bisschop van Suriname is, om hem mijn diepste afkeuring en veroordeling van de gebeurtenissen kenbaar te maken." De zaken die nu aan de orde worden gesteld zijn al uitgebreid besproken in mijn autobiografisch artikel van 2006 (zie www.crscenter.com). Hoe lang kun je nog doorgaan? Een schip verlaten dat buiten jou om met zinken wordt bedreigd, is geen moeilijke beslissing. Lastiger is het besluit - na alles wat plaatsvond - om toch te pogen schipbreuk van een land te voorkomen. Het waren diezelfde traumatische processen die mij in de afgelopen twintig jaar, als onafhankelijke wetenschapper ver van de politieke arena, bezighielden om antwoorden te zoeken hoe verder te gaan als land. Lessen uit onze geschiedenis De eerste les is dat de scherpe polarisatie in twee kampen niet simpelweg een strijd tussen goed en kwaad was. Aan weerszijden van de scheidslijnen waren er goeden en kwaden, met eerlijke en bezorgde Surinamers, maar helaas kwamen aan beide zijden de kwaden steeds bovendrijven. Dat verklaart waarom Suriname nu in zo'n diep dal zit, terwijl een ieder regeermacht kreeg met herkansing. De tweede les is dat geen enkele mogelijke combinatie uit de huidige partijpolitieke arena een oplossing kan bieden voor ons land. Leiders die een permanente steen des aanstoots vormen voor de andere helft van ons volk zullen dit land nooit de eenheid en kracht kunnen geven om zinvol verder te kunnen. De derde dramatische les is dat uitsluitend binnen de constitutie op democratische wijze een oplossing kan worden gevonden met directe participatie van ons volk, dat niet langer aan de kantlijn blijft staan. De vierde les is dat de oplossing alleen kan komen van de morele reserves die wij als land nog bezitten. Die zitten in NGO's, Kerken, sociale organisaties, vrouwenorganisaties, jeugdorganisaties, belangengroepen en onder bezorgde Surinamers die een beter land wensen. De vijfde les is dat de oprichting van een nieuwe politieke partij waarvan het leiderschap vooraf vaststaat geen oplossing biedt. Alleen een politieke vernieuwingsbeweging die het goede als een magneet aantrekt zal in staat zijn uit haar midden de beste zonen en dochters met hoge morele standaarden te herkennen, om op democratisch wijze voor ons het vaandel te dragen. Paraguay is ons net voorgegaan, waar een ex-bisschop die voor de armen opkwam na een campagne van acht maanden door een vernieuwingsbeweging tot President werd gekozen, wat een einde maakte aan een bewind van zestig jaar. De zesde les is dat de nutteloze polarisatie tussen links en rechts die we klakkeloos overnamen van het Westen niets met onze werkelijkheid te maken had en onnodig veel schade heeft berokkend met onverzoenlijke ideologische blauwdrukken die niet bij onze samenleving pasten. Alleen wanneer we deze en andere lessen uit onze eigen geschiedenis ter harte nemen, zullen we in solidariteit in staat zijn een nieuwe toekomstgerichte start te maken om de talloze potenties van ons land eindelijk voor ons volk te mobiliseren. Aan gerechtigheid en rechtvaardigheid mogen er geen concessies worden gedaan, maar met een totale verblinding door revanchisme en haat kan geen toekomst gebouwd worden. De grote tragiek van de mensheid ligt in het absurde destructieve principe dat alleen door oorlog vrede kan worden bereikt. De tekenen wijzen er gelukkig op dat ons volk nog voldoende morele veerkracht en vastberadenheid bezit om op constructieve wijze de uitdaging aan te gaan om te bouwen aan het Sranan waar we met zijn allen recht op hebben. BIJ DE SALTO MORTALE VAN DR.G.B. SANKATSING door Theo Para (30 mei 2008) Tijd is de ruimte van de verrassing. Ruim 25 jaar na zijn brief aan de onderzoekscommisie van de OAS, waarin hij als waarnemend minister van Buitenlandse Zaken, kritiekloos de leugen dat de slachtoffers van de decembermoorden ‘op de vlucht zijn neergeschoten’ herhaalde, heeft dr. G.B. Sankatsing - onder druk van de publieke kritiek - in De Ware Tijd van 26-5- 2008 getracht, met een verrassende manoeuvre de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor zijn brief volledig te ontlopen . Sankatsing zat in de pro-Bouterse regering, ook na de decembermoorden, namens de pro-Castro Revolutionaire Volkspartij, de autoritair-linkse afsplitsing van de socialistische Volkspartij. Op 11 januari 1983 had Sankatsing aan de OAS-commissie letterlijk het volgende geschreven: ‘Concerning reports of executions in Suriname I wish to inform you that those reports do not reflect the truth of the matter. In an official statement of the Military Authority it is stated that on 8 december 1982 a number of persons detained for their involvement in activities to overthrow the government through violent means were killed in an unfortunate accident as result of their attempt to escape custody.’ Deze twee zinnen hangen onmiskenbaar met elkaar samen. In de eerste zin zegt de auteur - ‘I’ – , vertaald in gewone taal, dat het niet waar is dat de slachtoffers zijn geëxecuteerd. Op de vraag, die door deze ontkenning bij de lezer wordt opgeroepen – namelijk, wat is er dan wel gebeurd? – antwoordt de auteur vervolgens met het instemmend, want kritiekloos, aanhalen van het leugenachtige coup- en vluchtverhaal van het Militair Gezag (lees Bouterse). Sankatsing verschaft echter in zijn artikel in De Ware Tijd slechts ‘de nauwkeurige weergave’ van de tweede zin, door hem als ‘de kern van de brief’getypeerd, waarbij hij ‘alle verantwoordelijkheid’ voor ‘deze valse verklaring’ bij het Militair Gezag (lees Bouterse) legt. Zijn lezer, die in onwetenheid is gehouden over de eerste zin, krijgt dan de volgende zelfrechtvaardigende conclusie voorgeschoteld: ‘De bewering dat de minister ad interim (lees Sankatsing T.P.) die de brief tekende enige verantwoordelijkheid draagt voor deze valse verklaring is derhalve pertinent onwaar en van elke grond ontbloot’. Maar Sankatsing weet dat kenners meelezen en moest dus een kunstgreep bedenken voor de eerste, ‘I’ zin? Daar bedacht onze tekst-acrobaat de volgende salto mortale op: ‘In de aanhef verwijst de brief naar “reports”of executions”die niet juist waren. Eén van de hardnekkige “reports”die lange tijd circuleerde was dat Cubanen de executies hadden uitgevoerd. Een actieve Cubaanse ambassade onderhield in die tijd nauwe banden met het Militair Gezag. Die berichten bleken onjuist te zijn. Een aantal “reports”waren dus inderdaad niet waar. De brief bevat de omissie door niet expliciet aan te geven welke reports niet waar zijn, waardoor ook een andere interpretatie mogelijk is die de brief heel bezwaarlijk kan maken. Het is om die reden dat ik zelfkritisch in mijn artikel van 2006 zonder omhaal het volgende schreef: “Het bestaan van die kwalijke brief, uitgerekend met díe verklaring, kan alleen als een zware last op mijn schouders blijven drukken, al heb ik nooit en te nimmer zo een brief samengesteld of in het Engels vertaald.” ’ Waarheid.. Sankatsing dacht de tijd te kunnen misleiden. Zijn Cubanen-verhaal bedacht hij pas in zijn artikel van 26 mei j.l., nadat in de actuele polemiek over zijn brief nadrukkelijk werd gewezen op de eerste, ‘I’zin. En nu wil hij met terugwerkende kracht zijn lezers doen geloven dat hij met het oog op zijn Cubanen-verhaal in zijn ‘artikel van 2006’, een zelfkritiek schreef. Als dat werkelijk het geval was, dan was het logisch geweest dat hij in het ‘artikel van 2006’ al, zijn Cubanen-verhaal had verteld. Immers, dat verhaal helpt naar zijn eigen zeggen ‘een andere interpretatie..die de brief heel bezwaarlijk kan maken’ voorkomen. Maar onthutsender is dat hij zijn Cubanen-verhaal heeft verzonnen! Sankatsing zegt zelf dat hij de brief aan de OAS-commissie niet heeft samengesteld, in zijn ‘artikel van 2006’ suggereerde hij dat hij het tussen allerlei routineklussen door, als paspoorten tekenen, kortom in een routineuze paraafcultuur, had getekend. Hij suggereerde daarmee dat zijn fout lag in onoplettendheid, onzorgvuldigheid op zijn slechtst, maar niet op het inhoudelijke (morele) vlak, hij was immers tegen de decembermoorden en ‘de valse verklaring’. Hoe weet Sankatsing nu dan plotsklaps dat de samensteller (?) van de brief met zijn eerste zin wat anders heeft bedoeld dan er staat?! Hij schrijft nu dat de ‘omissie’ van de brief eruit bestaat dat niet ‘expliciet’ is aangegeven ‘welke reports niet waar zijn..’ Maar ook impliciet heer Sankatsing suggereert de brief niets anders dan er staat, en zeker niet in samenhang met de tweede zin. Waarom hebt u uw lezer de volledige tekst van de eerste zin en zijn samenhang met de tweede zin onthouden? Want dan kon de lezer zien dat ‘those reports’ - d.w.z. geen enkele uitgezonderd - naar het rijk der fabelen werden verwezen. Niet wie de executies hadden gedaan, maar dat er executies hadden plaatsgevonden, werd in de eerste zin weersproken. Ook kon de lezer bij de volledige tekst de ik-vorm van de ontkenning van de executies zien. Kortom, de volledig geïnformeerde lezer zou ontegenzeggelijk uw verantwoordelijkheid voor de brief, die u ondertekende, erkennen. In de recente polemiek bent u erop gewezen dat u in uw verdediging tot dan toe vermeed de verantwoordelijkheid voor het leugenachtige coup- en vluchtverhaal te leggen bij Bouterse c.s. Die kritiek hebt u ter harte genomen en nu ‘alle verantwoordelijkheid’ voor ‘de valse verklaring’ bij het toenmalige Militair Gezag (lees Bouterse) gelegd. Maar wat u niet had moeten willen pogen is uw eigen verantwoordelijkheid voor de door u ondertekende brief aan de OAS-onderzoekscommissie ontkennen, want daarmee vergeet u weer de ernst van de zaak en het belang van waarheid en erkenning voor de collectieve verwerking. Strafpleiter mr. Gerard Spong wees er recent op dat uw OAS-brief naar het Surinaamse strafrecht een misdrijf was. U pleegde valsheid in geschrift, belemmerde de nasporing en maakte misbruik van uw machtspositie. Dat uw OAS-brief naar aanleiding van uw benoeming tot directeur van het onderzoekscentrum van de Universiteit van Aruba, ook onder universiteitsdocenten en publiek in Aruba, tot grote verontwaardiging leidde is daarom volstrekt begrijpelijk. Uw gedwongen ontslag was daar een logisch gevolg van. Na uw gewraakte brief (1983) hebt u 12 jaren het stilzwijgen bewaard, kennelijk hopend op collectieve amnesie. In het dagblad Amigoe van 30 januari 1995 hanteerde u het argument van de vergetelheid, kort nadat in die krant uw OAS-brief onderwerp werd van kritiek. U schreef letterlijk: ‘Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo een brief heb ondertekend’. 11 jaren later kwam u in uw ‘artikel van 2006’ met het argument van de onoplettendheid. Over het huidige Cubanen-verzinsel hebben wij het al gehad. Toegegeven, het is niet gemakkelijk om voor zo een schandelijke brief verantwoordelijkheid te nemen. Maar uitzichtlozer is uw guerrilla tegen de (historische) feiten. In genoemd artikel in Amigoe dacht u de tijd te kunnen bezweren: ‘Genoeg hierover! Laat dit de laatste keer zijn dat ik over deze kwestie schrijf..’ 13 Jaren na dato moet u nog steeds over ‘deze kwestie’ schrijven! Wordt het geen tijd schoonschip te maken door uw verantwoordelijkheid te nemen, te beginnen met het officieel afstand nemen van uw brief van 11 januari 1983 bij de Interamerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). ‘Waarheid is de vrucht van de tijd, niet van de autoriteit’, leerde Francis Bacon.
|
|